Ze zijn van een ander kaliber dan de meeste pop- en rockbands: The Residents. Al decennialang vormen ze een inspiratiebron voor talloze experimentele artiesten, maar het werk van de band beklijft zelden buiten de inner circle. Hun albums verschijnen niet in de lijstjes van Rolling Stone, Pitchfork of Spin, ondanks hun onmiskenbare invloed. Hun muziek neemt de luisteraar niet mee, maar bestookt hem — ontneemt ruimte voor eigen invulling — iets wat, afhankelijk van je stemming, kan fascineren of irriteren.
Jarenlang hielden ze mijn aandacht vast — ik interviewde ze zelfs twee keer — maar tegenwoordig lukt het me nauwelijks nog om naar hun muziek te luisteren. Ironisch genoeg blijft één deuntje wél hangen, bijna als een oorwurm: “Constantinople”, van de EP Duck Stab! (1978), met het hypnotische refrein:
Here I come, Constantinople
Here I come, Constantinople
I am coming, Constantinople
Here I come
Bevreemdend aanstekelijk — het nestelt zich in je hoofd, terwijl de rest vervaagt.
