De toelichting bij het album is helder: de Amerikaanse componist Timothy McCormack (1984) wil met ‘The Hand is an Ear’ niets minder dan een diepgevoelde, fysieke ervaring teweegbrengen.
Je hoort hoe muziek ontstaat uit het samenspel van lichaam en klank. McCormacks partituren zijn weliswaar zorgvuldig genoteerd, maar komen pas tot leven door de fysieke inzet van de musici: aanraking, ademhaling en concentratie worden onderdeel van de muziek zelf. In plaats van opgelegde ideeën van buitenaf weer te geven, toont hij hoe geluid voortkomt uit de directe ontmoeting tussen uitvoerder en noten. De afwisseling van tere, breekbare momenten en felle intensiteit nodigt de luisteraar uit bewust te ervaren wat het betekent om aanwezig, kwetsbaar en veranderlijk te zijn. De stukken op ‘The Hand is an Ear’ vangen die bijzondere benadering van componeren: luisteren is hier geen passieve handeling, maar een lichamelijke, ontvankelijke ervaring.
De schrijver (over opera) en zanger van ‘nieuwe muziek’ Ty Bouque betoogt in het zeer lezenswaardige essay ‘Writing in (it)self’, dat hij voor het boekje bij het album schreef, dat McCormacks muziek niet begrepen kan worden als representatie van iets buiten zichzelf. De muziek gaat niet over iets, maar is zelf een belichaamd vormproces — een ‘writing in (it)self’ waarin klank, lichaam en notatie elkaar wederzijds voortbrengen. Muziek wordt zo een vorm van aanraking, waarin lichaam en klank samenvallen en grenzen vervagen.
Een illustratief voorbeeld: in ’the hand is an ear / the ear is a heart’ (2022) wordt de viool niet enkel bespeeld (door Austin Wulliman), maar ook beluisterd via het hele lichaam van de performer. In dat moment verdwijnen de scheidslijnen tussen speler, instrument en geluid — juist dat lichamelijke luisteren vormt de kern van McCormacks artistieke en muzikaal-filosofische visie.
Het grootste deel van het album wordt gevormd door het ruim vijftig minuten durende ‘Your Body is a Volume’ (2016–2019) voor strijkkwartet, uitgevoerd door het JACK Quartet met violisten Christopher Otto en Austin Wulliman, altviolist John Pickford Richards en cellist Jay Campbell.
De traag schurende klanken in de eerste minuten doen aanvankelijk denken aan het begin van David Lynchs cultfilm ‘Eraserhead’, maar gaan veel verder dan die al ontregelende soundtrack.
Na zes minuten van een soort nucleaire winterruis volgt de eerste decibellenpiek die naar de volumeknop doet grijpen: een soort oerschreeuw, gevolgd door kreunend onderaards gerommel en schril gebrul — een dier in een donker, geheimzinnig bos? Let wel: allemaal voortgebracht door slechts vier akoestische musici.
En zo gaat het verder. Klanken sterven weg en keren terug, als bij een sculptuur waar voortdurend aan gevijld en geschuurd wordt. Het harde materiaal wordt regelmatig gierend in de gewenste vorm geslepen. Het volume neemt steeds verder toe, tot het even afvlakt vóór de volgende eruptie waarin zogenoemde ‘industrial music’-klanken als poëtische contrasten oplichten.
Rust is er niet, stilte evenmin. De extreem fysieke ervaring gaat onverminderd door, dringt door tot in de trommelvliezen en resoneert in de buik. Rond minuut twintig barst een soort eindtijdexplosie los. Dan wordt het even stil. Een zoem, geruis als in een verlaten fabriekshal — de ‘Zone’ van Tarkovsky. Instrumentale slagen en trillingen volgen elkaar op als luchtverplaatsingen in een voortdurend veranderend buizenstelsel, afwisselend opdringerig en dan weer van verre resonerend.
Rond minuut dertig lijkt het ‘metaal op metaal’, maar is het niet. Een kakofonie ook niet. Het blijft op een of andere manier muziek — die zich ontwikkelt, ontvouwt, uitrolt. Waarheen? Dat weten alleen de instrumenten en hun bespelers, iedere keer weer anders.
Dan volgt toch even een adempauze, niet helemaal stil — of toch: een minuut maar.
Daarna barst het spektakel opnieuw los, als schreeuwende stemmen uit een infernale wereld. ‘Geschrei, geweeklaag, knarsende tanden’ — in welhaast bijbelse proporties.
Nog tien minuten. Komt er zoiets als een apotheose, of is het hele stuk één onafgebroken apotheose?
De snaren worden zacht ritmisch in beweging gebracht — alsof een zwerm wespen zich manifesteert — en transformeren naar snelle tikken, eerst zacht, dan accelererend in samenspraak, tot de spanningsboog volledig is uitgeput en daarmee het einde van een intense luisterervaring bereikt wordt, waarin ieder op geheel eigen wijze kan participeren en betekenis, katharsis vinden.
Zoals gezegd is deze muziek een vorm van aanraking, ook tussen uitvoerenden en luisteraars — een intense ervaring, niet te vergelijken met welke andere muzikale interactie ook.
JACK Quartet, Austin Wulliman: Timothy McCormack — The Hand is an Ear (KAIROS)
