De term omgevingsmuziek verwijst vaak naar muziek die een bepaalde ambientsfeer moet creëren, zonder specifiek de aandacht te trekken of aanwezig te zijn.
Zo wordt de muziek wel ingezet om bijvoorbeeld ongewenste geluiden te maskeren en kan bijvoorbeeld in de horeca helpen om het geroezemoes van gesprekken naar de achtergrond te verplaatsen.
Omgevingsmuziek kan echter ook de omgeving reflecteren en versterken en zo leiden tot een dynamische ervaring.
De Amerikaanse avantgardist John Cage (1912-1992) schreef in 1952 zijn compositie ‘4’33″’. Tijdens een uitvoering bestaat deze uit vier minuten en drieëndertig seconden van toevallig aanwezige, niet-geënsceneerde omgevingsgeluiden, zoals het kuchen van het publiek, schuifelende voeten, geluiden van de straat of voorbijrijdende auto’s. Cage, die een Zen-boeddhist was, heeft een aanzienlijke invloed gehad op het begrip ‘ambient’ en op latere pop-experimentalisten zoals Brian Eno.
Ook Cage-volgeling Morton Feldman (1926-1987) nam het begrip ‘omgevingsmuziek’ letterlijk, maar meer vanuit een emotionele resonantie. Daarin roept muziek emoties op die aansluiten bij de context van de omgeving. Zo schreef Feldman in 1971 een stuk met de titel ‘Rothko Chapel’, vernoemd naar een gelijknamige meditatieruimte, ontworpen door kunstenaar Mark Rothko, in Houston. In hetzelfde gebouw deed popzanger Peter Gabriel later inspiratie op voor het instrumentale ‘Fourteen Black Paintings’, dat te vinden is op zijn album ‘Us’.
Feldman creëerde, geïnspireerd door de ruimte en de veertien grote, abstracte schilderijen van Rothko een futuristisch klinkende, ruimtelijke constructie. Koor, viool en percussie gaan daarin een spanningsvolle relatie met elkaar aan en vormen zo een fraai klankmonument.
Onder de Sterren in de Outback

Muziek die aansluit bij de directe omgeving helpt mensen om dieper te voelen en beter contact te maken met de ruimte om hen heen. Het kan de zintuigen prikkelen en een gevoel van saamhorigheid en verbondenheid creëren.
Dit brengt ons bij de 70 minuten durende reis op cd door de etherische soundscape van Georges Lentz’ ‘From “String Quartet(s)”’. Deze is afgeleid van een 43 uur durende mediacompositie die continu wordt afgespeeld in de Cobar Sound Chapel.
Op ongeveer acht uur landinwaarts van Sydney, in de outback van New South Wales, ligt het kleine mijnstadje Cobar, met zo’n 4.000 inwoners, op het voorouderlijke land van het Ngiyampaa Wangaaypuwan-volk. In dit gebied bevinden zich belangrijke ceremoniële plaatsen. Cobar is rijk aan waardevolle bodemlagen goud en koper. De goed bewaard gebleven 19e-eeuwse gebouwen getuigen van het koloniale mijnverleden, dat de inheemse geschiedenis overschaduwt.
Aan de westelijke, bosrijke, rand van de stad staat een roestige, tien meter hoge, stalen watertank, gebouwd in 1901. Die is niet meer in gebruik, en valt in eerste instantie niet echt op, afgezien van een paar betonnen platen die vanaf de noordelijke kant van het object een smalle doorgang vormen. Voorbij de toegangspoort worden bezoekers door de muur van de tank geleid naar een speciaal hier gestorte en gevormde betonnen kubus. Op een van de muren hiervan staat de eerste regel van William Blake’s ‘Jerusalem: The Emanation of the Giant Albion’: “There is a Void, outside of Existence, / which if enter’d into / Englobes itself & becomes a Womb.”

Binnenin bevindt zich een enkel betonnen blok waarop je kunt zitten. Als je omhoog kijkt, zie je blauwe spleetramen in elk van de vier hoeken van de doos. Boven deze ruimte sluit een gouden koepel de ruimte af, met een cirkelvormige opening naar de hemel. En daar is muziek.
De Cobar Sound Chapel is een permanente geluidsinstallatie, op 1,5 km ten westen van Cobar. Het is een multidisciplinair kunstwerk, gemaakt door componist en geluidskunstenaar Georges Lentz in samenwerking met architect Glenn Murcutt. De installatie bestaat uit genoemde, vijf meter hoge betonnen kubus met een oculus in het plafond, waarin luidsprekers zijn geplaatst.
De installatie is de thuisbasis van Lentz’ digitale, 43 uur durende ‘String Quartet(s)’ (2000-2023), een doorlopende compositie die in de loop der jaren is opgenomen door het Sydney String Quartet The Noise. Dit in tijd langgerekte klankkunstwerk is geïnspireerd door de uitgestrektheid van het Australische binnenland en de nachtelijke sterrenhemel daarboven.
Het weefsel van klanken stroomt dag en nacht vanuit de tank, waarvan de binnenkant zichtbaar is door stalen poorten en die ’s nachts schemerig verlicht wordt. Het constante geluid creëert een ervaring waarin het steeds veranderende klankspectrum versmelt met de natuurlijke geluiden van de outback. Deze unieke kwaliteit biedt een onderdompelende ervaring, die de bezoeker volledig opneemt in een andere wereld. Meerdere zintuigen worden tegelijkertijd geprikkeld en versterken zo het gevoel van fysieke aanwezigheid in een niet-fysieke wereld.

Er zijn ook andere invloeden in het kunstwerk verwerkt: Aboriginal stippelschilderijen, de kunst en poëzie van William Blake, de graffiti op de muren van de tank, en in sommige delen een exploratie van AI-gegenereerd geluid. En er is fysieke kunst te zien in de blauwe hoekramen, gemaakt door de inheemse Sharron Ohlsen uit Cobar.
Door de interactie tussen architectuur, muziek en inheemse kunst transformeerden Georges Lentz en Glenn Murcutt de verlaten wateropslagtank in de Australische outback tot een historisch en spiritueel ervaringscentrum.
De Cobar Sound Chapel werd officieel geopend op 2 april 2022, na twintig jaar voorbereiding.
Acht secties telt de samenvatting op cd van ‘Music from the Cobar Sound Chapel’. Uitgevoerd door The Noise, worden in Lentz’ gelaagde sonische ruimtes momenten van rauwe ongepolijstheid afgewisseld met elementen van stille rust en schoonheid. The Noise String Quartet bestaat uit de violisten Véronique Serret en Mirabai Peart, altviolist James Eccles en cellist Oliver Miller. Wat dit viertal hier met traditionele instrumenten creëert, grenst aan het ongelooflijke.
Industriële illusies van schrapend metaal – als bij mijnbouw – over rotsige bodem en eindeloos lijkende vergezichten wisselen af met ijle, doorzichtige meditaties en impro-achtige exploraties. Het complexe samenspel van ruimte, tijd en geluidstexturen biedt een diepgaande en meeslepende, zelfs mystieke, ervaring – die zowel geworteld is in de realiteit als zich uitstrekt naar een spirituele wereld die de oorspronkelijke bewoners van Australië “droomtijd” of “Tjukurpa” noemen. Een mythologisch universum dat evenzeer van het verleden is als van het nu.
Georges Lentz – From “String Quartet(s)”. Music from the Cobar Sound Chapel
(KAIROS)
Culturele Reflectie
Muziek kan de cultuur van een omgeving weerspiegelen. In gebieden met een veelheid van tradities kan muziek stijlen en instrumenten incorporeren die de gemeenschap typeren en zo een gevoel van plaats en identiteit versterken.

De innovatieve Zuid-Afrikaanse cellist, componist en zanger Abel Selaocoe viert met zijn tweede album ‘Hymns of Bantu’ zijn Zuid-Afrikaanse afkomst. Hij volgt daarop het voorouderlijke spoor dat hem eerder diverse invloeden bracht, inclusief westers klassieke repertoire. In 12 stukken, geschreven voor ensembles variërend van Afrikaanse percussie tot orkest, cello solo en bas, vertolkt Selaocoe traditionele Bantu-muziek naast composities van Bach en Marin Marais.
‘Hymns of Bantu’ legt de nadruk op de gedeelde universaliteit en helende kracht van muziek. Het album belicht de continuïteit tussen verschillende muzikale erfgoederen in plaats van hun onderlinge verschillen. ‘Hymns of Bantu’ wil daarmee uitnodigen tot inspiratie en begrip van de rijke muzikale tradities die mensen met elkaar verbinden.
Schrijver en muziekcriticus Hugh Morris beschrijft ‘Hymns of Bantu’ in de linernotes als een thuiskomst. Selaocoe viert met zijn muziek de “verbinding met wie hem voorgingen”, citeert Morris de cellist, en voegt eraan toe dat thuis kan worden ervaren met betrekking tot zowel het verleden als het heden.

‘Hymns of Bantu’ ademt het leven in dat thuis, in al zijn wonderbaarlijke veelkleurigheid. De opening met de Zuid-Afrikaanse hymne ‘Tsohle Tsohle’ vormt een startschot voor bijzondere harmonieën, ruisende ritmiek en Selaocoe’s meeslepende vocalen, die op de thermiek van warme klanken opstijgen als vogels in de lucht. ‘Tsohle Tsohle’, wat “alles is alles” betekent in het Sesotho, viert de verbinding met de spirituele wereld om ons heen.
Voortstuwende ritmes, grooves, zijn een essentieel en terugkerend element op het album. Die worden met verve ingekleurd door onder anderen bassist Alan Keary en een percussietrio met Sidiki Dembele, Dudù Kouate en Fred Thomas, zoals meteen na de opener het aanstekelijke ‘Emmanuele’ laat horen. Te beginnen met een elegant basloopje, groeit ‘Emmanuele’ uit tot een knooppunt van ritmes die vrolijk met elkaar wedijveren. Vervolgens verschuift de focus naar een solo van Selaocoe, die als een derwisj door een breed uitwaaierende vocabulaire van vocale klikken, kreten en boventonen wervelt.
‘Kea Morata’ (“Ik hou zoveel van ze”) is Selaocoe’s aansporing “om mensen hun bloemen te geven” zolang ze nog op deze wereld zijn, en niet pas achteraf. De groovy opzet van “Emmanuele” wordt gecontinueerd, maar binnen dat raamwerk versnelt het tempo. Texturen worden verfijnder en snaarstreken dartelen als kwikzilver in het rond en bloeien op in wonderlijke vormen.
Dan wordt de stuwende duwkracht even op een zijspoor gezet en maakt plaats voor ‘Tshepo’, “geloof” in het Tswana. Voor Selaocoe, opgevoed met spirituele tradities alsook kerkbezoek, staat geloof voor een universeel gevoel, dat dicht bij het Sesotho-werkwoord ‘tshepa’ (“hoop”) staat. Dit laat onverlet dat de uitstraling hier die van een gebedsdienst is. ‘Tshepo’ voert een zanger alleen op, ondersteund door zachte strijkers, die af en toe uitbarst in expressieve betogen. Hier geen vurige klanken, maar melancholie en een verlangen naar hoop, overtuigend en met vocale kracht gecommuniceerd, en vervolgens bevestigd in het tweede deel van het nummer, ‘Rapela’.
En dan Bach, de ‘Sarabande’ uit diens zesde cellosuite, door Abel Selaocoe in diepe lagen gestreken en voor de gelegenheid met Afrikaanse tinten gekleurd. In een interview dat ik ooit had met de Amerikaanse componist Steve Reich kwam ook zijn Afrikaanse periode aan bod. Hij zei toen: “Het viel mij op dat de mensen daar enorm van Bach houden. Je kon ze een Bach-plaat laten horen en dan wisten ze niet wat het was, maar ze waren er gek op. En ik snap ook wel waarom. Bach hield gewoon van een goede beat. Dat maakt Bach geen jazzcomponist of rock & roll, maar die muziek heeft iets universeels dat grote groepen mensen aanspreekt.” Een beat heeft Selaocoe’s bewerking van Bach’s cellostuk weliswaar niet, maar wel de grote universele kracht die de luisteraar pakt en meeneemt, de muziek in, naar toen en nu.

Die beat, hoewel gefragmenteerd, is dan weer wel aanwezig in ‘Dinaka’, geworteld in de voorouderlijke muzikale en spirituele tradities van het Pedi-volk. Inmiddels halverwege ‘Hymns of Bantu’, verandert de muzikale omlijsting van vorm. Andere klankkleuren doen hun intrede, met rijke percussie, geprepareerde piano en Selaocoe’s keelzang. De grooves stuwen de muziek niet langer; ze worden elastisch van vorm en creëren een context waarin improvisatie niet slechts een middel is om van A naar B te komen, maar doel op zich.
Oude Europese cultuur smelt samen met die van Selaocoe’s voorouders in zijn versie met cello en zang van een solo-viola da gamba-stuk van Marin Marais (1656-1728) uit diens Derde Suite, ‘Les Voix Humaines’. Abel Selaocoe besloot zijn eigen taal in dit stuk in te zetten en zingt over zijn voorouders, wiens cultuur op dezelfde tijd bestond als deze even oude muziek.
Het volgende, door explosieve ritmes aangedreven, ‘Takamba’ is een muziekstijl die zijn oorsprong vindt in Noord-Mali en Niger en wordt geassocieerd met de Songhai en Toeareg-volkeren.
Selaocoe noemt de Siciliaanse cellist Giovanni Sollima een belangrijke inspiratiebron voor zijn onbegrensde verkenningen van de cello. De compositie ‘L.B. Files’ is Sollima’s verhalende eerbetoon aan cellist Luigi Boccherini (1743-1805) in de verbeelding van diens leven als een mini-doc, gebaseerd op de mix van stijlen die het kenmerk is van Sollima’s creatieve output. De eerste twee delen van dat werk, ‘Concerto’ en ‘Igiul’, vonden hun weg naar ‘Hymns of Bantu’ en laten Selaocoe als cellist in zijn meest dynamische en expressieve vorm horen.
Selaocoe sluit ‘Hymns of Bantu’ af met ‘Camagu’, met daarin op de valreep nog even een andere, opmerkelijke kant van zijn creatieve kunnen, surrealistische humor, als hij een stuwende groove bouwt vanuit het schelle, enigszins nasale geluid van een speelgoedviool.
En dan is ‘Hymns of Bantu’ voorbij, te snel voor de wonderbaarlijke reis die Abel Selaocoe hier aanbiedt.
‘Hymns of Bantu’: Is het klassiek, pop, wereldmuziek? Het is, om Marin Marais aan te halen, ‘Les Voix Humaines’, die spreekt van de namen en de wijsheid van de mensen die zijn heengegaan en die nog komen, in de stemmen en gezangen van Abel Selaocoe.
Abel Selaocoe – Hymns of Bantu
(Warner Classics)
Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen. Zo help je CCRyder doorgaan.
Met iDEAL kun je via de beveiligde omgeving van je eigen bank CCRyder waarderen.
“Eyes on the road and hands upon the wheel”