Muziek achter prikkeldraad, vlinders die niet meer leven: ooit een bittere metafoor uit een voltooid verleden, maar in 2026 schuurt het pijnlijk langs de werkelijkheid. De echo van de jaren dertig klinkt luider – instituties brokkelen af, extreem gedachtengoed krijgt zendtijd en applaus, terwijl de aarde oververhit raakt.
Dertig jaar nadat ik ‘Muziek achter prikkeldraad…’ schreef, sist de geopolitieke snelkookpan en tasten autocraten de grenzen van onze morele rekbaarheid af. Intussen dommelt een groot deel van het publiek weg in een comfortabele bubbel van schermen, swipen en schijnbare normaliteit.
Tegen dat decor keert deze tekst, met de muziekalbums die in 1995 ten grondslag lagen aan mijn artikel, terug naar muziek die onder dictaturen werd geschreven, uitgevoerd of het zwijgen opgelegd. Niet als museumstof, maar als klinkend bewijs dat kunst kan getuigen, waarschuwen en weigeren mee te marcheren. Muziek achter prikkeldraad is geen historische voetnoot; het is een waarschuwingssignaal dat vandaag opnieuw door de luidsprekers zou moeten schallen.
De hier genoemde cd’s fungeren als broncodes: dragers van gecodeerde ervaringen, waarin vervolging, verzet en herinnering hoorbaar worden. Een deel zal fysiek niet meer leverbaar zijn, maar hoewel ‘streaming music’ voor veel musici van nu gelijkstaat aan ‘killing music’, kan zij ook deze ‘uitgewiste’ muziek weer tot leven wekken.
WAAR VLINDERS NIET MEER LEVEN
Dagmar Krause – ‘Panzerschlacht: Die Lieder von Hanns Eisler’ (Antilles).
Hanns Eisler (1898–1962), leerling van Arnold Schönberg en een van de voornaamste vertegenwoordigers van de socialistische liedkunst, werkte intensief samen met Bertolt Brecht. De in Hamburg geboren Dagmar Krause, die haar zangcarrière begon in de nachtclubs aan de Reeperbahn, geeft op ‘Panzerschlacht’ – in 1988 opgenomen en geproduceerd door Greg Cohen, destijds bekend van de Tom-Waits-band – een bijzonder brutale interpretatie van Eislers liederen en is vooral sterk in de meer militante stukken.
Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Lothar Zagrosek – Eisler: ‘Deutsche Sinfonie, op. 50’ (Decca).
De ontstaansgeschiedenis van Hanns Eislers ‘Deutsche Sinfonie’ (later ook wel ‘Konzentrationslagersinfonie’ genoemd, maar aanvankelijk ‘Antihitler-Symphonie’ geheten) gaat terug tot 1935 en besloeg ongeveer elf jaar. Pas in 1959 ging het werk in zijn geheel in première in het toenmalige Oost-Berlijn. Met deze antifascistische cantate voor orkest, koor, solisten en sprekers (tekst: Bertolt Brecht), die in deze Decca-opname deel uitmaakt van de reeks ‘Entartete Musik’, schreef Eisler een werk vol muzikale variatie dat niet alleen de jaren van naziterreur in Duitsland verbeeldt, maar ook verwijst naar de donkere dagen van het ‘rode fascisme’.
Rundfunkchor Berlin, Deutsches Symphonie-Orchester Berlin o.l.v. Lothar Zagrosek – Goldschmidt: ‘Der gewaltige Hahnrei’ (Decca); Rundfunkchor Berlin & RSO Berlin o.l.v. John Mauceri – Korngold: ‘Das Wunder der Heliane’ (Decca); Opernchor & Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Lothar Zagrosek – Křenek: ‘Jonny spielt auf’ (Decca).
Platenlabel Decca bracht onder de noemer ‘Entartete Musik’ opnamen uit van werken die zwaar te lijden hadden onder de politieke turbulentie van de twintigste eeuw, met een nadruk op het Derde Rijk. ‘Das Wunder der Heliane’ is een “erotisch” sprookje van librettist Hans Müller op muziek van Erich Wolfgang Korngold (1897–1957), superromantisch naar het voorbeeld van Richard Strauss. Ernst Křenek (1900–1991), enfant terrible van de toenmalige avant-garde, gebruikte in ‘Jonny spielt auf’ moderne dansritmes en schreef daarmee de allereerste door jazz beïnvloede opera, nog vóór ‘Die Dreigroschenoper’ en ‘Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny’ van Kurt Weill. Eveneens behorend tot de serie is ‘Der gewaltige Hahnrei’ van Berthold Goldschmidt (1903–1996), een Joods componist die met deze opera een eigenzinnig maar bijzonder kleurrijk en dynamisch werk over liefde en jaloezie schreef.
René Kollo, Carol Neblett, Hermann Prey, Benjamin Luxon, Chor des Bayerischen Rundfunks, Münchener Rundfunkorchester o.l.v. Erich Leinsdorf – Korngold: ‘Die tote Stadt’ (RCA).
Erich Wolfgang Korngold (1897–1957) was een Wunderkind dat zich qua vroeg talent bijna kon meten met Mozart; Gustav Mahler, die hem een tijdlang begeleidde, noemde hem zelfs een genie. Zijn opera ‘Die tote Stadt’, gecomponeerd tussen 1916 en 1919 op een libretto van zijn vader Julius Korngold (onder het pseudoniem Paul Schott) naar Georges Rodenbachs roman ‘Bruges-la-Morte’, is een expressionistisch drama over het rouwproces na het verlies van een geliefde. De wereldpremière vond in 1920 gelijktijdig plaats in Hamburg en Keulen. In deze opname uit 1975 wordt duidelijk waarom Korngold later zou uitgroeien tot een van de invloedrijkste filmcomponisten van zijn tijd: hij schreef de muziek voor Errol Flynn-klassiekers als ‘The Adventures of Robin Hood’, ‘The Private Lives of Elizabeth and Essex’ en ‘The Sea Hawk’.
Hawthorne String Quartet – Haas, Krása: ‘String Quartets’ (Decca); Karel Berman, Alfréd Holeček, Přemysl Charvát – Haas, Berman: ‘Composers from Theresienstadt 1941–1945’ (Channel Classics); Virginia Eskin, Hawthorne String Quartet – Klein, Ullmann: ‘Chamber Music from Theresienstadt 1941–1945’ (Channel Classics); The La Roche Quartet – Krása: ‘Composers from Theresienstadt 1941–1945’ (Channel Classics).
Dertien jaar liggen tussen het tweede en het derde strijkkwartet van Pavel Haas (1899-1944), die met de Decca-opname hun plaatpremière beleefden. Verwees nr. 2 (1925) in zijn lyrische oorsprong nog naar de geneugten van reizen naar de Tsjechisch-Moravische Hooglanden (‘Z opičích hor’: “van de apenbergen”), nr. 3 schetst een beeld van een Tsjechoslowakije dat zich in 1938 bedreigd voelt door de fascistische krachten van Hitler-Duitsland. Daartegenover staat de bravoure van het kwartet dat Hans Krása in 1921 schreef, vol snel wisselende stemmingen, kleuren, tempi en ritmes. Het Hawthorne String Quartet, verbonden aan de Terezín Chamber Music Foundation, is behalve op de Decca-opname ook te horen in de serie ‘Composers from Theresienstadt’ van het Nederlandse Channel Classics. Deze serie richt zich op muziek die in de waanzin van het kamp zelf werd geschreven en geeft een oprecht beeld van wat creativiteit kan voortbrengen onder extreme omstandigheden, veel meer dan de algemener georiënteerde en enigszins opportune serie ‘Entartete Musik’ van Decca.
Disman Radio Children’s Ensemble, Prague o.l.v. Joža Karas – Krása: ‘Brundibár’ (Channel Classics).
‘Brundibár’ is een eenvoudig verhaal, vol muzikale invloeden uit de traditionele volkscultuur, waarin het kwaad (Hitler) door de kracht van de onschuld (kinderen) wordt overwonnen.
Nederlands Kamerkoor o.l.v. Uwe Gronostay – Křenek: ‘Lamentatio Jeremiae Prophetae’ (Globe).
Het sterk rooms-katholieke ‘Lamentatio Jeremiae Prophetae’ werd door de Oostenrijkse componist Ernst Křenek (1900-1991), die in 1937 naar de Verenigde Staten uitweek, geschreven in de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog. Met verwijzingen naar zowel de twaalftoonstechniek van Arnold Schönberg als de technische complexiteit uit het werk van de vijftiende-eeuwse Zuid-Nederlandse componist Johannes Ockeghem is dit een van Křeneks meest veelomvattende partituren.
Berliner Philharmoniker o.l.v. Claudio Abbado – Nono: ‘Il canto sospeso’; Mahler: ‘Kindertotenlieder’ (Sony).
Luigi Nono’s ‘Il canto sospeso’ wordt hier gekoppeld aan Mahlers ‘Kindertotenlieder’ en ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen’. Nono (1924–1990) liet zich voor ‘Il canto sospeso’ inspireren door brieven van verzetsmensen die door de nazi’s ter dood waren veroordeeld: teksten over angst, marteling en vernedering, maar ook over geloof in de mensheid en de moed om de onafwendbare dood in de ogen te kijken. Claudio Abbado en zijn Berliner Philharmoniker, bijgestaan door onder meer sopraan Barbara Bonney en acteur Bruno Ganz, spreken met deze opname hun bezorgdheid uit over de politieke situatie in Europa, waar nationalisme, racisme en antisemitisme opnieuw hun destructieve stempel drukken. Het aangrijpende ‘Il canto sospeso’ gaat naadloos over in Mahlers ‘Kindertotenlieder’, prachtig gezongen door de met een warm stemgeluid gezegende Joegoslavische mezzosopraan Marjana Lipovšek.
Kronos Quartet – Reich: ‘Different Trains’ (Nonesuch).
Als kind van gescheiden Joodse ouders reisde de Amerikaanse componist Steve Reich (1936) voortdurend met de trein tussen oost en west in de Verenigde Staten. Terwijl in Europa de Holocaust gaande was, realiseerde hij zich later dat hij in een heel andere trein had kunnen zitten. ‘Different Trains’, met het jagende Kronos Quartet als locomotief en het geluid van oude treinen en stemmen (onder anderen die van Reichs vroegere gouvernante) in een ritmische cadans verwerkt, is een van de meest aangrijpende documenten die de recente modern-klassieke muziek heeft voortgebracht.
The Moscow Philharmonic o.l.v. Joel Spiegelman – Senator: ‘Kaddish for Terezín’ (Delos).
‘Kaddish for Terezín (Holocaust Requiem)’ is een werk van smart en pijn, maar ook van geestelijke reiniging. Ronald Senator (1926–2015) liet zich inspireren door gedichten en dagboeken van kinderen die in Theresienstadt zijn gestorven. Dirigent Joel Spiegelman laat de ‘Kaddish’ (het Joodse gebed voor de overledenen) voorafgaan door Bedřich Smetana’s symfonische gedicht ‘Vltava’ (‘Die Moldau’) de rivier die, na zich bij de Labe (Elbe) te hebben gevoegd, langs Terezín stroomt.
Michael Kraus, Iris Vermillion, Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Lothar Zagrosek – Ullmann: ‘Der Kaiser von Atlantis’ (Decca).
Een opera die het verdient regelmatig op de planken te staan, niet alleen vanwege de ontstaansgeschiedenis (Theresienstadt), maar misschien nog meer vanwege de thematiek. ‘Der Kaiser von Atlantis’ is een opera over het karakter van het fascisme en over Dood en Harlekijn (Leven), die zich door de moderne wereld bedrogen en misbruikt voelen en daarom weigeren nog langer te functioneren zoals van hen wordt verwacht, met totale chaos als gevolg. In al zijn kwaliteiten borduurt ‘Der Kaiser von Atlantis’ voort op de Duitse muziekliteratuur, met verwijzingen naar werken van Alban Berg, Johann Sebastian Bach, Johannes Brahms en Gustav Mahler, om er enkele te noemen. De echo van Kurt Weill is hoorbaar in de theatrale scherpte en het satirische karakter van de muziek, waarbij ‘Deutschland über alles’ in parodie weerklinkt.
WEILL, BRECHT EN VERWANTEN
Lotte Lenya, Chor Günther Arndt, Orchester Sender Freies Berlin o.l.v. Wilhelm Brückner-Rüggeberg – Weill/Brecht: ‘Die Dreigroschenoper’ (CBS).
‘Die Dreigroschenoper’ is gebaseerd op Elisabeth Hauptmanns vertaling van ‘The Beggar’s Opera’ van de Britse schrijver John Gay (1685–1732). Hauptmann (1897–1973) en Brecht (1898–1956) verplaatsten de handeling van het achttiende-eeuwse Londen naar het moderne Soho. De triomf van het verval, zoals die in het stuk min of meer wordt gevierd, is typerend voor de manier waarop het cabaret zich in de dagen van de Weimarrepubliek manifesteerde: “Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral.” De antiburgerlijke satire van ‘Die Dreigroschenoper’ is door Kurt Weill (1900–1950) verpakt in liederen die op geraffineerde wijze van de meest verfoeide en subversieve elementen beminnelijke antihelden maken. Deze opname uit 1958, met Lotte Lenya (1898–1981) opnieuw in de rol van Jenny, zoals bij de allereerste uitvoering in 1928, benadert de authentieke versie zo dicht mogelijk en is mede daarom een essentiële Weill-cd.
Lotte Lenya, North German Radio Chorus o.l.v. Max Thurn, Orchester des Norddeutschen Rundfunks o.l.v. Wilhelm Brückner-Rüggeberg – Weill/Brecht: ‘Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny’ (CBS).
De stad Mahagonny, waar Brechts maatschappijkritisch en satirisch spel zich afspeelt, is een symbolische karikatuur van vrijheid: een mythisch oord waar iedereen kan leven zoals hem of haar het best bevalt:
“Erstens, vergesst nicht, kommt das Fressen,
zweitens der Liebesakt,
drittens das Boxen ist nicht schlecht,
viertens das Trinken hat uns umgebracht.
Vor allem aber — seid gescheit —
dass ihr euch stets amüsier’n bereit!”
Het is de schizofrene fantasie van een Europeaan die zich Noord-Amerika ten tijde van de goudkoorts voorstelt: een stad vol avonturiers en aangespoelden die er zijn gebleven, onder wie velen criminelen, prostituees en pooiers.
Brigitte Fassbaender, Radio-Philharmonie Hannover des NDR o.l.v. Cord Garben – Weill/Brecht: ‘Die sieben Todsünden’ (Harmonia Mundi).
Voor ‘Die sieben Todsünden’ maakte Kurt Weill gebruik van hoekige instrumentaties en groteske dansritmes, voornamelijk walsen en foxtrotten. Het stuk is een bijtende kritiek op de hypocriete kapitalistische moraal (zoals tekstschrijver Bertolt Brecht die zag), uitgewerkt in de dilemma’s van twee zusters – beiden Anna geheten. De eerste is realist en zangeres, de tweede een idealist die eindeloos compromissen sluit en wordt verbeeld door een danseres. Anna I becommentarieert met haar zang de hachelijke positie van Anna II, die tegen het einde volledig opgebrand en kapot is. ‘Die sieben Todsünden’ is prachtig in zijn melodieuze zwierigheid, waarin instrumentatie en vocalen vaak een spanningsvolle, wringende relatie hebben.
Sting, Stan Ridgway, Marianne Faithfull, Chris Spedding, Van Dyke Parks, Lou Reed, Carla Bley, Tom Waits, Aaron Neville, Todd Rundgren e.a. – ‘Lost in the Stars – The Music of Kurt Weill’ (A&M).
Een beter bewijs dat Kurt Weill (samen met Bertolt Brecht) een van de eerste schrijvers van goed in het gehoor liggende pop- en jazzliedjes was dan de door de Amerikaan Hal Willner geproduceerde cd ‘Lost in the Stars’, is nauwelijks denkbaar. De plaat biedt verrassende combinaties: Stan Ridgway lekker vet schmierend in het satirische ‘Cannon Song (Kanonensong)’ en Marianne Faithfull als overtuigende ‘Soldier’s Wife (Das Soldatenweib)’.
Dagmar Krause – ‘Supply & Demand – Songs by Brecht/Weill & Eisler’ (Hannibal).
Dagmar Krause is met haar door (experimentele) popmuziek gekleurde stem – charmant in haar oneffenheid – een ideale vertolkster van de liederen waarmee zowel Kurt Weill als Hanns Eisler zich schaarden aan de kant van een radicale politieke kunst.
TWAALF TONEN
Frank Zappa (1940–1993) noemde als een van zijn belangrijkste invloeden de componist Anton Webern (1883–1945), die op zijn beurt leerling was van Arnold Schönberg (1874–1951). Arnold Schönberg introduceerde de twaalftoonstechniek, waarin alle twaalf tonen gelijkwaardig zijn, in tegenstelling tot de tonale muziek waarin bepaalde tonen domineren.
Arnold Schönberg was de pionier van de atonaliteit, maar hij schreef ook de eerste Klangfarbenmelodie (‘Fünf Orchesterstücke’) en paste in de ontroerende liederencyclus ‘Pierrot Lunaire’ het Sprechgesang toe, een techniek die later ook door popmusici werd opgepakt.
Juilliard String Quartet, Walter Trampler, Yo-Yo Ma – Schönberg: ‘Verklärte Nacht’ (Sony). Schönbergs lyrische strijksextet ‘Verklärte Nacht’ uit 1899 weerspiegelt de Weense fin-de-siècle-gevoelens van de toen 25-jarige componist. Het zwierig spelende Juilliard String Quartet, met als gasten altviolist Walter Trampler en cellist Yo-Yo Ma, zet een gloedvolle interpretatie neer, waarin vooral de dichterlijke bezieling van het werk tot leven komt.
Pierre Boulez, BBC Symphony Orchestra, BBC Singers, Ensemble InterContemporain en diverse solisten – ‘Moses und Aron; Chamber Symphony No. 2’ (Sony); ‘Gurre-Lieder; Four Orchestral Songs op. 22’ (Sony); ‘Die Jakobsleiter; Chamber Symphony No. 1’ (Sony); ‘Serenade; 5 Pieces for Orchestra; Ode to Napoleon’ (Sony); ‘Die glückliche Hand; Variations op. 31; Verklärte Nacht’ (Sony); ‘Suite op. 29; Verklärte Nacht; 3 Pieces for Chamber Orchestra’ (Sony); ‘Pierrot Lunaire; Lied der Waldtaube; Erwartung’ (Sony); ‘Music for Chorus’ (Sony).
Bij het label Sony verscheen in de jaren tachtig en negentig een serie met de belangrijkste werken van Schönberg, uitgevoerd door koor en orkest van de BBC, Ensemble InterContemporain en diverse solisten, onder leiding van Pierre Boulez (1925–2016). Boulez – zelf componist en een van de belangrijkste vertolkers van hedendaagse muziek – zorgde voor een glashelder klankbeeld; de delen uit de Boulez/Schönberg-serie behoren stuk voor stuk tot de juwelen van de moderne muziekpraktijk. De uitvoering van de beroemde ‘Gurre-Lieder’ bijvoorbeeld – volgens velen het meest indrukwekkende Oostenrijks-Duitse koorwerk van de twintigste eeuw – is van een majestueuze pracht. Maar ook het breekbare ‘Ode to Napoleon’ en de twee versies (orchestral version en string sextet) van ‘Verklärte Nacht’ uit Schönbergs vroege romantische periode staan garant voor puur auditief genot. Los van deze serie, maar er perfect bij aansluitend, is de Schönberg/Boulez-cd ‘Das Chorwerk’, met onder andere ‘Ein Überlebender aus Warschau’, naar het verhaal van een Poolse Jood over de massaslachtingen in het getto van Warschau.
