Miles Davis

Parijs. Dingo Anderson ontmoet na lang zoeken de oude trompettist Billy Cross, de muzikant die vroeger, toen Dingo nog een jochie was, bij een bepaalde gelegenheid enorme indruk op hem heeft gemaakt. ‘Ik ben gekomen om u te zien, u bent de reden dat ik zelf met spelen ben begonnen.’
Nooit eerder wilde
Miles Davis in een film spelen. ‘Ze hebben me zoveel scripts aangeboden maar iedere keer willen ze me verdomme als pooier zien. Pooiers zijn niet allemaal zwart.’

door C. Cornell Evers OOR 14 december 1991

In Dingo van de Nederlands-Australische regisseur Rolf de Heer is hij Billy Cross, de man die met zijn trompet macht over het leven zelf heeft. De gevierde muzikant overleed 28 september van dit jaar.

‘U bent de reden dat ik zelf met spelen ben begonnen.’ Hoevelen kunnen niet hetzelfde zeggen? Saxofonist Branford Marsalis, bij popliefhebbers bekend van zijn samenwerking met Sting, weet wat het is om met Miles als bandleider te werken: ‘Ik heb elke plaat die er maar van Miles te krijgen is en ik moet zeggen: ze hebben mijn leven drastisch veranderd. Waarom? Dat is heel moeilijk aan te geven. Miles was gewoon uniek. Hij was fantastisch als het erom ging mensen bij elkaar te halen waar hij dan een band mee samenstelde. Hij had een feilloos gevoel voor talent en kon mensen daarbij zo opjutten dat ze echt boven zichzelf uitstegen.’
Toetsenist Herbie Hancock maakte deel uit van Davis’ klassieke kwintet uit de jaren zestig, met daarin ook nog Tony Williams op drums, Ron Carter op bas en Wayne Shorter op saxofoon. Hij is het met Marsalis eens: ‘Als bandleider was Miles uniek. Hij was een van de besten, zoniet de beste. Hij liet de sidemen enorm vrij in hun interpretatie, iets waarmee je bij iemand anders niet hoeft aan te komen.’

Vijfenzestig is hij geworden, The Man With The Horn, The Prince Of Darknesss, de man die niet alleen naar eigen zeggen ‘muziek vijf of zes keer een andere richting in heeft gestuurd’ en die ook door velen uit de popmuziek als een invloedrijke factor wordt gezien. Zijn vriendschappen met Jimi Hendrix, Sly Stone en andere pophelden uit de jaren zestig stimuleerden Miles bijvoorbeeld om wat hij noemde ‘de slechtste rockband ter wereld’ samen te stellen. Met twee en soms drie scheurende elektrische gitaren achter zich bulldozerde hij op jaren zeventig-albums als Agharta, Pangea en Dark Magus dwars over het jazzpubliek heen en legde zo de link met punk en postpunk-rock. Het meest extreem klonk Miles op Dark Magus (lang alleen maar als Japanse import verkrijgbaar) en maakte daarmee enorme indruk op rockmuzikanten als gitarist Robert Quine (Richard Hell, Lou Reed) en punk-funk pionier James White. In zekere zin is de bestendiging van de noise-rockformatie Sonic Youth als ‘een belangrijke exponent in de Amerikaanse rockhistorie’ direct te herleiden tot Miles, te weten de ‘herrie’ van de elektrische formaties waarmee de trompettist in het midden van de jaren zeventig het elke traditionele jazzcriticus dun door de broek deed lopen. Robbie Robertson herinnert zich uit die periode nog een optreden waarbij Miles in hetzelfde programma zat als The Band. ‘Wij vonden het geweldig om met hem te spelen. Wisten wij veel dat Miles een nieuwe fase in zijn carrière was ingegaan. Man, hij kwam voor ons op en echt… het was een complete horror-ervaring voor het publiek. Hij joeg iedereen tegen zich in het harnas. Aan ons de taak om de gemoederen te sussen en iedereen weer tot bedaren te brengen. Het was prachtig, in die zin dat het aantoonde dat muziek niet alleen in staat is om het wilde beest in toom te houden, maar dat het ook het wilde beest juist tot leven kan wekken.’

Vijfenzestig jaar is niet mis, vergeleken bij al die andere coryfeeën uit de jazz die zichzelf meestal al de vernieling in hadden gewerkt op een leeftijd dat anderen nog moeten beginnen. Miles vormde daarop geen uitzondering. Het was in eerste instantie tenminste niet zijn eigen verdienste dat de duivel zijn plaatsje in de hellehuisband nog een tijdje moest openhouden. Miles kon behoorlijk destructief tekeer gaan, waarbij hij in grote hoeveelheden ‘genoot’ van alles wat God verboden had en nog veel meer. Een enorme verspilling van talent, maar wie interesseert dat? Zeker niet degene om wie het gaat. Miles, het voormalige rijkeluiszoontje, zakte zelfs zo diep in de stront dat hij vrouwen voor zich liet tippelen om zijn heroïneverslaving te kunnen betalen. Het pleit voor hem, en voor de mensen in zijn omgeving, dat hij op een gegeven moment gelukkig ook weer de moed en het doorzettingsvermogen had om uit het diepe dal waarin hij terecht was gekomen omhoog te klauteren. In plaats van met een uitgedoofde jazztrompettist die het nog een keertje wil proberen, zag het publiek zich na zijn terugkeer in de jaren tachtig geconfronteerd met een muzikant die straalde als een vurig brandende fakkel en die voorlopig niet van plan was op te houden zijn licht te verspreiden. In de geruchtmakende autobiografie Miles die hij samen met Quincy Troupe schreef, lezen we: ‘Voor mij is de drang om muziek te maken en te spelen tegenwoordig sterker dan toen ik begon. Het is intenser. Het is haast een vloek. Man, ik word tegenwoordig dol van muziek die ik vergeet en me probeer te herinneren. Ik word ertoe gedreven – neem het mee naar bed en sta ermee op. Het is er altijd. En ik vind het geweldig dat het me niet in de steek heeft gelaten; ik voel me echt gezegend. Ik doe iedere dag lichaamsoefeningen, eet meestal gezond voedsel. Ik rook of drink niet meer en gebruik geen drugs, behalve die van de dokter voor mijn suikerziekte. Ik voel me goed, want ik heb me nog nooit zo creatief gevoeld. Ik voel dat het beste nog moet komen… Jullie horen nog van me.’
Wat er ook op het karakter van Miles Dewey Davis aan te merken viel, hij was eerlijk. Een klootzak soms, in de manier waarop hij met mensen omging, maar direct, op de man af. Daarbij had hij een groot gevoel voor humor, zat hij vol zelfspot en was hij niet afkerig van zelfrelativering. Branford Marsalis: ‘Ik kende hem eigenlijk alleen als muzikant, niet als mens. Sommigen zeggen dat ik me daar gelukkig om mag prijzen, haha.’ John Scofield, de gitarist die onder andere meewerkte aan hit-albums als Star People, Decoy en You’re Under Arrest, kan niemand anders noemen die zo ‘cool’ is als Miles was. ‘Ik ontmoette Miles ergens in 1980, ’81 of zo, in de tijd dat hij zijn comeback maakte. Hij kwam naar de Seventh Avenue South, naar de club waar ik met Dave Liebman speelde. Er waren nauwelijks meer dan tien mensen in de club en we waren er behoorlijk ondersteboven van dat Miles was komen opdagen. Na de set kwam hij naar me toe en zei: Hé man, je klinkt geweldig. Waarop ik zei: Goh, Miles, het is goed te zien dat je weer terug bent, dat je weer met ons komt spelen. En hij zei: Vroeg ik je wat? Als je niks wordt gevraagd, moet je je bek houden. God, hij was de grappigste vent die ik ooit ben tegengekomen. Je wist nooit wat je van hem kon verwachten.’
Miles was onberekenbaar, hij kon een tiran zijn maar toch hield iedereen van hem. Scofield: ‘Hij was een ongelooflijk moeilijk mens, op alle niveaus. Hij kon echt woedend zijn maar tegelijkertijd had hij ook veel humor en hij was een bijzonder slimme en vooral prachtig spelende muzikant.’

Miles Davis was een muzikant, die weigerde om ooit iets te accepteren wat hij als tweederangs beschouwde. Miles was niet zozeer een technisch hoogstaand instrumentalist alswel een stylist, die geen noot verspilde. Op zijn manier was hij een virtuoos, die een heel eigen melodieus en ruimtelijk geluid introduceerde, dat vaak is geïmiteerd maar nooit geëvenaard. De klank van Miles is uit duizenden herkenbaar. Als Miles zijn trompet aan zijn lippen zette, stond er een poppenmeester op het podium die op een geniale wijze de emoties van zijn publiek bespeelde, die in zijn toon zowel extreem verdriet als het hoogste plezier tot uitdrukking kon brengen. Nooit zal ik de zucht vergeten die door het publiek ging toen tijdens het North Sea Jazz Festival 1984 voor het eerst het ontroerende intro van Cyndi Laupers Time After Time de lucht deed trillen. Een magisch moment.
Miles was er bijzonder mee ingenomen dat zijn publiek zich gedurende zijn carrière uitbreidde van louter jazzaanhangers naar bewonderaars die afkomstig waren uit alle sociaal-culturele hoeken. Hij hield van zijn publiek, al werd hem vaak verweten dat hij zijn toehoorders ronduit onbeschoft behandelde, door ze bijvoorbeeld de rug toe te keren, terwijl hij aan het spelen was. Toetsenist Herbie Hancock vindt dit soort beschuldigingen niet helemaal terecht: ‘Miles had zoveel respect voor zijn publiek dat hij, hoe dan ook, de muziek zo goed wilde laten klinken als maar mogelijk was. Als dat betekende dat hij zich om moest draaien om de drummer te zien, om zo een muzikale dialoog op gang te brengen of om alleen maar te luisteren, dan deed hij dat, wat dus betekende dat hij met zijn rug naar het publiek stond. Als dat de muziek beter zou maken, dan zou hij dat doen.’
Hij respecteerde zijn publiek. Toch kon hem er dat niet van weerhouden om regelmatig tegen wat heilige huisjes te schoppen, waarvan sommigen zijn fans dierbaar waren, zo moet hij geweten hebben. Zo noemde hij bijvoorbeeld Elvis, King of Rock & Roll, ‘gewoon een gekopieerde zwarte’. ‘Iedereen weet toch dat Chuck Berry met het gedoe begonnen is, en niet Elvis,’ aldus Miles. ‘Ze weten dat Duke Ellington de King of Jazz was en niet Paul Whiteman. Dat weet iedereen. Maar het staat niet in de geschiedenisboeken, tenzij wij de macht krijgen om onze eigen geschiedenis te schrijven en wij onze verhalen zelf vertellen.’
Hij kon ook rancuneus zijn. Over popster Sting, notabene even te horen op Miles’ eigenste langspeler You’re Under Arrest, zei hij mij, in een interview dat ik voor dit tijdschrift in de herfst van 1986 met hem had, dat de voormalige Police-man het zwarte jazzkwartet waar hij op zijn solo-debuut The Dream Of The Blue Turtles mee werkte, had ‘gebruikt’. Daarbij moet worden opgemerkt dat Sting naast saxofonist Brandford Marsalis ook Davis’ bassist Daryl Jones had gestrikt. Behalve deze twee speelden ook nog drummer Omar Hakim en toetsenist Kenny Kirkland mee op The Dream Of The Blue Turtles. Miles destijds in het OOR-interview: ‘Sting heeft ze gebruikt. Hij heeft ze niet laten doen waartoe ze in staat zijn.’ Later schreef hij in zijn autobiografie over … Nothing Like The Sun: ‘Heb je gezien wat er in de Playboy Jazz Poll gebeurde toen Sting die plaat had gemaakt met Gil [Evans – CCE]? De lezers van het blad – vooral blanken – kozen Stings groep tot beste jazzgroep van het jaar. Is dat nou niet te dol! Een zwarte groep zou zo’n erkenning niet kunnen krijgen als ze, zeg maar, overstapten van fusionjazz naar rock. Blanke mensen zouden hen nooit tot prijsdieren van het jaar kiezen.’
De tijd heeft deze stelling inmiddels achterhaald. Nooit eerder werd de rock & roll zo door zwarte muzikanten gedomineerd als nu. Prince, Public Enemy, Living Colour… allemaal brengen ze de lessen van Miles in praktijk. Zwarte muzikanten moeten hun eigen geschiedenis schrijven en hun eigen verhalen vertellen, zoals de trompettist dat al tientallen jaren deed. Voor iemand ook maar had gehoord van zelfrespect, voordat de beweging voor de burgerrechten Martin Luther King en Malcolm X had voortgebracht, was er Miles Davis. ‘Miles behoort tot het handjevol artiesten van deze eeuw die het niet te doorgronden geheim van schepping op het allerhoogste niveau kenden. A bad motherfucker.’ Aldus Living Colour’s Vernon Reid.
Miles geloofde eigenlijk altijd alleen maar in muziek. Hij lapte het onderscheid tussen alle mogelijke muzikale stijlen aan zijn modieuze laarzen. ‘Onzin’ noemde hij het verschil dat zowel door het publiek als door critici wordt aangebracht tussen bijvoorbeeld jazz en rock, tussen klassiek en avant-garde, tussen kunst en populaire deunen. Muziek zit veel eenvoudiger in elkaar, aldus Miles. ‘Voor mij gaan muziek en leven helemaal over stijl,’ was zijn levensvisie. ‘Als je er bijvoorbeeld rijk uit wilt zien en je rijk wilt voelen, dan draag je bepaalde dingen, een bepaald paar schoenen, of hemd, of jas. Stijlen in de muziek roepen bepaalde soorten gevoel op in mensen. Als je wilt dat iemand zich op een bepaalde manier voelt, dan speel je in een bepaalde stijl. Dat is alles.’
Een wat al te simplistische kijk op het fenomeen muziek? Niet bij Miles. Miles leefde deze opvatting. Met succes. ‘Als ik iets speel waar ik zelf heel veel van hou, dan zal het publiek dat ook doen. Als je je eigen gevoelens kunt overbrengen, als je het op de juiste manier presenteert, dan doet het er niet toe wat het is… of welke stijl. Als je het op de juiste manier presenteert, zullen ze ervan houden.’
Hij was wel de mening toegedaan (iets wat hij met de door hem bewonderde ‘muzikale broeder’ Prince gemeen heeft), dat een muzikant zichzelf moet blijven ontwikkelen. ‘Ik zal erin blijven groeien, blijven proberen op te gaan in mijn muziek, elke dag dat ik speel. Erin klimmen.’

Stilstand was voor Miles uit den boze. Toch was hij niet zozeer een vernieuwer, tenminste niet in de zin dat hij zijn muzikale concept zo drastisch veranderde dat het iets opleverde dat eerder totaal onbekend was. Het is meer wat hij deed met de dingen die hem inspireerden, hoe hij ze vertaalde en naar zijn eigen hand zette. Zijn platen waren vaak de optelsom der delen die hij bij elkaar bracht, waarbij hij een katalysatorfunctie vervulde. Naar aanleiding van de opnamen voor de legendarische dubbelaar Bitches Brew, voor sommigen het begin van de jazzrock, merkte de trompettist op: ‘In deze sessie ging het om improvisatie en dat maakt jazz zo fantastisch. Telkens als het klimaat verandert, dan verandert dat je hele denkwijze en dus speelt een muzikant anders, vooral als alles niet voor z’n neus wordt gezet. De denkwijze van een muzikant is de muziek die hij speelt.’
Als geen ander herkende hij de tekens van de tijd, de veranderingen in het muzikale denkproces, waar hij vervolgens met een feilloos gevoel voor timing op inhaakte, en daarbij eigenlijk steeds een paar passen vooruit liep. Sommigen vonden hem een hoer, die inspeelde op trends en daarvoor steeds opnieuw zijn band van vers jong bloed voorzag. Miles zag dat anders. ‘De wereld heeft altijd om verandering gedraaid,’ was zijn mening. Mensen die niet veranderden waren in zijn ogen ‘folkmuzikanten, armzalige provincialen die in een museum spelen’. ‘Ik speel altijd wat ik wil spelen en ik doe wat ik wil doen,’ zei hij me vlak na de release van Tutu, genoemd naar de Zuid-Afrikaanse bisschop Desmond Tutu, winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede. ‘Als het publiek waardeert wat ik wil doen, fantastisch. Zo niet, dan vind ik het ook best. Er zijn een hoop goede musici die geen enkel instrument bespelen. Ze zitten in het publiek en weten precies waar ze van houden.’
Muziek was iets internationaals geworden, zo betoogde hij en in die omstandigheden is het zinloos om terug te vallen op de geborgenheden van het verleden. ‘Een mens kan niet terug in de moederschoot.’

De veranderingen die zo belangrijk waren in de carrière van Miles Davis hadden altijd te maken met de interactie met zijn bandleden. Dat was heel vroeger al zo, toen de trompettist speelde met vertegenwoordigers van de eerste lichting moderne jazzmuzikanten, Charlie Parker, Dizzy Gillespie en Thelonious Monk, tot aan de groepen waarmee hij de laatste jaren een zich steeds verjongend publiek trok. Miles vond de jazz (in later jaren verfoeide hij het woord) steeds opnieuw uit. Hij herschiep de muziek of het nu bebop was of cool jazz, blues, orkestmuziek of funk, hij absorbeerde elke muzikale stijl en maakte er iets eigens van. Drummer Max Roach: ‘Miles was een enorm rusteloos persoon maar hij wist altijd precies wat hij deed.’ En zo is het maar net. Miles kon niet weerstaan aan de behoefte om steeds weer andere dingen te doen maar zijn aanpak daarbij was altijd verfrissend, zo heeft de tijd uitgewezen. Hij ging daarbij heel vaak louter op zijn intuïtie af. Herbie Hancock: ‘Miles nam nooit iets voor gegeven. Hij bekeek iedere situatie vanuit zijn eigen mogelijkheden. Hij zou zich nooit laten verleiden tot een standaardprocedure, hij wilde altijd alles voor zichzelf uitproberen, zijn eigen conclusies vormen.’ John Scofield: ‘Miles was totaal niet bang om op zijn gevoel af te gaan. Als hij het gevoel had dat er iets moest gebeuren, dan deed hij dat. Zo kon hij echt op het laatste moment de arrangementen van een compositie veranderen, het tempo van de melodie, echt op het allerlaatste moment van een opnamesessie. Als hij ergens een goed gevoel over had, dan deed hij dat. Voor mij is dat essentieel in de jazz en ik realiseer me dat zonder dat er geen jazz is.’
In de film Dingo speelt Miles Davis de rol van Billy Cross, de trompettist die een overweldigende indruk maakt op het kleine Australische jongetje Dingo Anderson, waardoor deze later, als volwassen man, de halve wereld rondreist om de muzikant terug te vinden die hem leerde wat ware schoonheid is. Miles kende de essentie van pure schoonheid en maakte er zijn levenstaak van om dat geheim uit te dragen, eerst alleen in zijn muziek, de laatste jaren ook in zijn schilderijen. Het laatste woord is aan Tommy Lipuma, die in 1985 Tutu produceerde: ‘Miles heeft de manier veranderd waarop ik naar muziek luisterde, Miles heeft ieders manier van naar muziek luisteren veranderd.’

Bronnen: Miles Davis en Quincy Troupe: Miles; OOR; Rolling Stone.
Fotografie: Sony Legacy Productions