Afgelopen maandag was het weer zover: Blue Monday. Zo’n dag waarop je vanzelf weer belandt bij de gelijknamige jaren tachtig hit van New Order. En dan is de stap naar Joy Division klein – de band waaruit New Order ontstond na de zelfmoord van zanger Ian Curtis in 1980. Meer specifiek: naar hun baanbrekende debuutalbum ‘Unknown Pleasures’ uit 1979.
Op YouTube vond ik het album op het officiële Joy Division-kanaal, met voor elke track een ‘Official Reimagined Video’ — een titel die op zichzelf al iets onheilspellends heeft. De tien video’s vormen samen de reeks ‘Unknown Pleasures: Reimagined’, in 2019 gemaakt voor de veertigste verjaardag van het album. Toen ik de eerste, ‘Disorder’, zag, dacht ik nog aan een vergissing. “Is this a Calvin Klein commercial?” vraagt iemand sarcastisch in de commentaren onder de video. Een jonge vrouw in balletpak wurmt zich, sloom dansend, tussen de witte pulslijnen van het iconische hoesontwerp; het geheel lijkt op een mislukte parfumreclame met existentiële pretenties. In de volgende, ‘Day of the Lords’, dwaalt een halfnaakte man, gehuld in een stola van bladeren en takken, als een verdwaasde bosgeest door Berlijn, terwijl iemand in de montagekamer lukraak effecten over hem heeft gestrooid. Vanaf dat moment is het alleen nog een vrije val richting totale, artistieke zelfparodie.
Er is iets ongemakkelijks aan deze ‘Unknown Pleasures: Reimagined’-video’s. Tien hedendaagse kunstenaars mochten elk een track van het album van nieuwe beelden voorzien. De films zijn keurig vormgegeven, strak gepolijst en conceptueel verantwoord — maar juist dát maakt ze glad, en zinloos. Waar de muziek van 1979 krast, ademt en nerveus tikt, bewegen de beelden hier vol symboliek en slow motion. Het rauwe raffinement van weleer is ingewisseld voor gestroomlijnd design; de ruis, de twijfel en het toeval zijn weggefilterd.
Als cultuurproject zal het zeker verantwoord zijn: erfgoed vieren, een jong publiek aanspreken, klassieke klanken in nieuw licht plaatsen. Maar voor wie Joy Division ooit live zag — de elektrische dreiging van ‘Disorder’, de nerveuze motoriek van Curtis — voelt deze gepolijste hommage bijna als een belediging. Joy Division live was chaos. ‘Unknown Pleasures’ zelf was al een streng gefilterde versie daarvan, dankzij Martin Hannetts klinische productie.
Ik ben van de generatie Joy Division, ik zag ze live. En elke keer als ik ‘Unknown Pleasures’ opzet, hoor ik vooral wat er níet op het album staat. Live voelde het alsof de lucht trilde. Curtis bewoog alsof hij uit zijn eigen lichaam probeerde te ontsnappen. De band speelde strak maar dreigend. Er zat spanning in de ruimte, een onvoorspelbaarheid die Hannett nadien zorgvuldig heeft weggepolijst. ‘Unknown Pleasures’ werd zo een laboratoriumversie van wanhoop: gecontroleerd, helder, prachtig — maar zonder adem. Koorts in quarantaine.
Voor ons in 1979 was Joy Division allesbehalve gestileerd. De magie zat juist in de leegte: de paar akkoorden, de monotone drums, de spanning die nergens ontlaadt. Die soberheid was geen beperking maar een statement. Elke theatrale laag erbovenop voelt als make-up op een lichaam dat ooit juist naakt durfde te zijn.
Joy Division is nu cultureel erfgoed—eerst te ruw om te verkopen, inmiddels te heilig om aan te raken. Waar vroeger vochtige kelders roken naar bier, rook en zweet, ruikt Joy Division nu naar high-definition projecties. Dat schuurt. Maar het is (helaas) ook hoe canonisering werkt.
Ook ‘Unknown Pleasures’ is door dat alles intussen meer icoon dan album. De pulsargrafiek op de hoes van ontwerper Peter Saville — een visualisatie van de radiogolven van een pulsar (PSR B1919+21) — hangt aan muren, prijkt op T-shirts, badjassen en sneakers, en wordt eindeloos geparodieerd tot karikatuur van zichzelf. Het is beeldcultuur geworden — een aura zo sterk dat kritiek bijna als heiligschennis klinkt. Wie zegt dat het “gewoon een goed, maar niet-geniaal” album is, breekt onbewust in op andermans nostalgie. Toch is die kritiek nodig. Echte kunst overleeft tegenspraak; erfgoed dat alleen nog wordt vereerd, leeft niet meer.
En ja, erfgoed moet onderhouden worden, ook visueel. Maar iets in mij verzet zich. De kracht van Joy Division zat juist in wat niet werd ingevuld. Elke extra laag — hoe kunstzinnig ook — is een vorm van cosmetica. Die muziek overleefde decennia zonder beelden, omdat ze zelf beeld genoeg was. Nu moet ze “aansprekend” worden, terwijl haar grootste kracht ooit vervreemding was.
Misschien is dat de ironie: hoe meer we ‘Unknown Pleasures’ conserveren, hoe verder we afdrijven van de nervositeit en het risico die deze muziek ooit bezat. Joy Division in HD is als rouw in neon — de muziek is nog steeds indrukwekkend, maar het licht flikkert niet meer.
