In het Stedelijk Museum Amsterdam is nog tot en met 15 maart 2026 de tentoonstelling ‘Prix de Rome Beeldende Kunst 2025’ te zien. De genomineerde kunstenaars Fiona Lutjenhuis, Kevin Osepa, Thierry Oussou en Buhlebezwe Siwani maakten hiervoor speciaal nieuw werk.
![]()
Er wordt nogal eens de vrees uitgesproken dat AI kunstenaars zal verdringen, overbodig maken. Algoritmes zouden in de wereld van de kunst het ambacht overnemen, de ziel eruit programmeren en een soort inwisselbare instant-kunst produceren. Die angst zegt echter vooral iets over onszelf, kunstenaars en kunstconsumenten, niet zozeer over de technologie.
Een van de belangrijkste beperkingen van AI-kunst is dat het nog steeds imitatie is en geen echte creativiteit. Handwerk levert hoe dan ook beter, in ieder geval uniek werk op; het is echt van de maker. AI is erop gericht te optimaliseren, om patronen te perfectioneren – en precies daar schuilt haar beperking. Kunst leeft namelijk niet door foutloosheid. Ze ademt door haar barsten, haar rafels, haar vergissingen. In de scheuren die ontstaan, gaat haar ziel schuil. Wat door mensenhanden ontstaat, draagt sporen van ervaring, twijfel en verlangen. En juist daarmee wordt zichtbaar hoe groot de afstand is tot wat kunstmatige intelligentie is, of ooit kan zijn.
In het atelier, in de studio, in het hoofd van een maker heerst zelden orde. Het is er rommelig; er wordt gezocht, geprobeerd en gefaald. Uit die wrijving – soms zelfs botsing – tussen idee en vorm ontstaat uiteindelijk iets (of niet, dat kan ook) dat echt voelt, en dat geen softwarecode kan vangen of produceren.
Maar dat is niet het enige wat kunst tot kunst maakt. Hoewel de kunstenaar, schrijver of dichter in beginsel uit eigen scheppingsdrang vertrekt, wil kunst vaak ook gezien, gehoord of gelezen worden. Ze ontvouwt zich en bloeit pas echt in de ontmoeting tussen maker en ontvanger — daar waar een emotie overspringt, onverwacht en onverklaarbaar. Daarbij geldt: wat de één raakt, laat de ander koud; de subjectiviteit van de ontvanger draagt zo bij aan wat kunst menselijk maakt.
Een machine kan leren imiteren, maar meeleven ligt buiten haar bereik – en precies daardoor blijft in veel ateliers de vraag hangen: kan een kunstmatige geest ooit deel uitmaken van zo’n ontmoeting?
Tegen deze achtergrond laat ‘Prix de Rome 2025’ zien hoe levendig en relevant menselijke verbeeldingskracht blijft.
PRIX DE ROME BEELDENDE KUNST 2025
De Prix de Rome is de stimuleringsprijs voor talentvolle beeldende kunstenaars uit Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk, georganiseerd door het Mondriaan Fonds. De prijs beoogt “de ontwikkeling van bijzonder getalenteerde kunstenaars te stimuleren, hun zichtbaarheid te vergroten en zo het beeldende kunstveld te blijven vernieuwen”. De winnaar ontvangt 60.000 euro. Voor de tentoonstelling van de editie 2025 werkte het fonds samen met het Stedelijk Museum Amsterdam De genomineerde kunstenaars Fiona Lutjenhuis, Kevin Osepa, Thierry Oussou en Buhlebezwe Siwani maakten speciaal voor de prijs nieuw werk.
DE KUNSTENAARS

Fiona Lutjenhuis (1991, Noord-Brabant) werkt met schilderkunst, sculptuur en installatie en verbindt deze disciplines tot een eigen beeldtaal. Vanuit haar jeugd in een sekte onderzoekt ze hoe overtuigingen en fantasieën onze kijk op de werkelijkheid vormgeven. Voor Prix de Rome creëerde ze een kosmische installatie rond het poppenhuis uit haar jeugd, als een verkenning van thuis, herinnering en verbeelding.
Kevin Osepa (1994, Willemstad, Curaçao) is beeldend kunstenaar en filmmaker die Afro-Caribische spiritualiteit, identiteit en koloniale herinnering onderzoekt vanuit een persoonlijk en queer perspectief. In zijn filmische installaties verweeft hij individuele en collectieve geschiedenissen tot gelaagde beelden van gemeenschap, rouw en veerkracht. Voor Prix de Rome bracht hij het rouwritueel ‘Ocho Dia’ uit Curaçao opnieuw tot leven als een levend archief van cultureel erfgoed.
Thierry Oussou (1988, Allada, Benin) gebruikt een conceptuele beeldtaal om verhalen zichtbaar te maken die vaak verborgen blijven. Zijn aandacht gaat uit naar de werelden van arbeiders, ambachten en sociale structuren die onze samenleving dragen. Voor Prix de Rome richtte hij zich op de koloniale driehoekshandel tussen Afrika, Europa en Amerika en verkende hij hoe deze historische lijnen opnieuw vorm kunnen krijgen.
Buhlebezwe Siwani (1987, Johannesburg, Zuid-Afrika) beweegt in haar praktijk tussen spiritualiteit, performance en koloniale herinnering. In haar werk voor Prix de Rome confronteert ze het publiek met de gedeelde koloniale geschiedenis tussen Nederland en Zuid-Afrika en bevraagt ze de betekenis ervan in het heden.
VLAG

Om met dit laatste te beginnen: bij binnenkomst in de expositieruimte op de eerste verdieping van het Stedelijk Museum wordt de bezoeker direct geconfronteerd met een metershoge, ‘besmeurde’ Nederlandse vlag. Tegen de achtergrond van de rood-wit-blauwe driekleur ontvouwt zich een afbeelding, die gebaseerd lijkt op een schilderij uit circa 1850 van Charles Davidson Bell van de landing van Jan van Riebeeck in de Tafelbaai in 1652. In dienst van de VOC plantte Van Riebeeck daar de zogeheten Prinsenvlag – in de 17e eeuw geassocieerd met het Huis van Oranje en door de VOC gebruikt, onder meer in de Kaapkolonie – en stichtte Fort de Goede Hoop. Het was de eerste permanente Nederlandse nederzetting aan de Kaap de Goede Hoop (naast het kleinere, tijdelijke Fort Duynhoop).
Tegenover de vlag staat een waaier aan videodisplays met teksten die Zuid-Afrikanen in Nederland uitspraken over Jan van Riebeeck, soms staand of zittend in een klein bootje. Het zijn teksten zoals zij die op school hebben geleerd, alsof dit het begin van Zuid-Afrika markeert – en alsof het land vóór de Nederlandse kolonisatie niet al lang vóór het begin van onze jaartelling bewoond was. ‘iNkanuko, 1652’ is de titel van de installatie. Buhlebezwe Siwani, want van haar is dit werk, confronteert de beschouwer met de vraag waarom deze geschiedenis in Nederland nauwelijks weerklank vindt.
KATOEN

Thierry Oussou gebruikt eveneens de koloniale geschiedenis om gebroken verhalen zichtbaar te maken en de afzonderlijke stukken weer met elkaar te verbinden. Hij richt zich in zijn bijdrage op de koloniale driehoekshandel tussen Afrika, Europa en Amerika, waarbij vanuit het gebied van het huidige Benin tot slaaf gemaakten naar Amerika werden gebracht om onder meer katoen te verbouwen. Door deze geschiedenis opnieuw te verbeelden – door in Amsterdam rijen balen katoen uit Benin tentoon te stellen – onderzoekt hij hoe zulke transportroutes vandaag opnieuw betekenis kunnen krijgen.
De titel ‘The Grain That Salted The Sea’ verwijst hierbij naar al die onbekende en ongeziene arbeiders, niet alleen katoenplukkers uit Benin, maar ook bijvoorbeeld de door de meeste reizigers nauwelijks opgemerkte tram- en buschauffeurs in het openbaar vervoer. Zij zijn als arbeiders de zoutkorrels die landen en bedrijven rijk maken. Economie gaat volgens Oussou ook altijd over transport en het verplaatsen van mensen, wat voor hem onvermijdelijk de herinnering oproept aan het gedwongen vervoer van mensen uit Afrika.
POPPENHUIS

Het verleden als pijnlijke inspiratie krijgt een nieuwe gedaante in het betoverende poppenhuis van Fiona Lutjenhuis. Dit bevindt zich in het hart van een door haar geschapen kosmos: een groot, cirkelvormig kamerscherm, als een dakloze yurt zonder horizon. Binnen is het donker en stil; buiten wervelt een wereld die kleurrijk, bevreemdend en chaotisch om haar as spiraalt. Panelen bewegen als tweerichtingsdeuren, scharnieren tussen werelden. Ze openen naar de stilte aan de ene kant, en naar de onzekere, geheimzinnige, soms dreigende buitenwereld aan de andere: ‘The Shell of Life’.
Daar doorheen reist en zoekt (St)Eve, een huisjesslak met een gebarsten schermkapsel, een weg. ‘The Shell of Life’ is een verbeeldende verwerking van een beschadigde jeugd, uitgewerkt als een reis door de nooit eindigende spiraalvorm van het melkwegstelsel. ‘The Shell of Life’, met zijn beelden en woorden, “leest” voor mij met zijn visioenen en symboliek als een soort fantasie op het Bijbelboek Openbaring, ook wel de Apocalyps genoemd. Tegelijk is het een spirituele reis door een wereld waarin alles met elkaar verbonden is, naar stilte, daar waar de tijd stopt.
LEVEN DOOR DE DOOD

Koloniaal verleden én spiritualiteit komen samen in ‘Lusgarda’ van Kevin Osepa, winnaar van de Prix de Rome 2025. ‘Lusgarda’ is een meeslepende totaalinstallatie die het verdwijnende ritueel van ‘Ocho Dia’ belicht: de achtdaagse rouwperiode die volgt op een begrafenis op Curaçao, het geboorte-eiland van de kunstenaar.
‘Lusgarda’, de titel, verwijst mogelijk naar een kracht die als centrum of ‘hart’ van het werk fungeert, een scharnier tussen persoonlijke rouw en collectief geheugen. De installatie verkent zowel individuele als collectieve rouw en richt zich op het behoud van een traditie die dreigt te verdwijnen. Op basis van archiefmateriaal over ‘Ocho Dia’ creëerde Osepa een zintuiglijke totaalervaring die zich ontvouwt als een caleidoscoop van betekenislagen. Sommige verwijzingen zijn direct herkenbaar, andere blijven bewust verborgen – het mysterie van het onverklaarbare vormt volgens de jury een bijzondere kracht van het werk.
Met deze gelaagde benadering heeft Osepa een intens en persoonlijk werk gecreëerd dat tegelijkertijd raakt aan universele gevoelens van verlies en herinnering. Zijn aanpak wordt door de jury nadrukkelijk geprezen. Zij noemen het “een groots, compleet en dramatisch werk: met behulp van alledaagse objecten, handgemaakte poppen en een indringende film stapt het publiek een nieuwe werkelijkheid binnen. Osepa schuwt daarbij uitbundige emotie en lichamelijkheid niet.”

Om bij het hart van ‘Lusgarda’ te komen, passeert de bezoeker een doorgangsruimte met een bonte verzameling gebruiksvoorwerpen, zoals te vinden in eenvoudige woningen, niet alleen in het Caribisch gebied maar in heel Latijns-Amerika. Een oude slingercentrifuge, een tweepits gaskookplaat, potten, pannen, een transistorradio en talloze bedrukte lappen stof. Er zijn ook religieuze voorwerpen en afbeeldingen, met katholieke en Afro-Caribische connotaties, die in hun verbondenheid en tegenstellingen voorbeelden vormen van syncretisme. Er hangt een geur van zeep en geurwater. Al deze elementen vormen samen een tastbaar archief van het alledaagse; ze ademen sporen van een leven dat tegelijk kwetsbaar en veerkrachtig is.
Dan betreden we de ruimte erachter: een donkere theaterzaal met op en naast de banken levensgrote mensfiguren – staand, zittend, liggend – de rouwenden. Op een filmscherm verschijnen facetten van ‘Ocho Dia’: verteld, voorzien van persoonlijke interpretaties en invalshoeken, en ingebed in een indrukwekkend geluidsbeeld, gemaakt in samenwerking met ROZALY, een kunstenaar en muziekarchivaris uit Curaçao.
Het rouwproces in ‘Lusgarda’ strekt zich verder uit dan de rouw om een overleden dierbare. Kevin Osepa verbreedt dat perspectief. Het vertrekpunt ligt in de rouw om het verdwijnen – eerst door kolonialisme, later door het dominante neoliberalisme met zijn cultureel verwoestende geldstromen. Er staat meer op het spel: eeuwenoude tradities, rituelen, spiritualiteit en identiteit worden bedreigd, en daarmee ook de onderlinge verbondenheid van en met de ander, zoals bijvoorbeeld de lhbt+-gemeenschap. Dat alles brengt rouw met zich mee – vraagt om een rouwproces.

Rouw brengt ook verbondenheid. Sterker nog: dáár lijkt ‘Lusgarda’ vooral over te gaan — meer nog dan over rouw zelf. Met ‘Lusgarda’ getuigt Kevin Osepa op een indringende en invoelende manier van leven door de dood heen.
Rouw wordt hier een vorm van zorg voor wat dreigt te verdwijnen: voor mensen, maar ook voor verhalen, talen, gebruiken en manieren van samenleven. In plaats van de dood weg te moffelen, wordt zij aangekeken en omhelsd — in rituelen, beelden, stemmen en geluid. Juist daarin ontstaat leven door de dood: omdat wat verloren dreigt te gaan, opnieuw wordt benoemd, bewerkt en gedeeld, en zo in een andere gedaante verder kan bestaan.
De bezoeker wordt meegezogen in die beweging — niet als buitenstaander, maar als getuige die zo zelf drager wordt van de kwetsbare maar hardnekkige verbondenheid die, tegen alle verdrukking in, leven laat bloeien.

Tegelijk met de prijsuitreiking op woensdag 17 december 2025 in het Stedelijk Museum Amsterdam verscheen de publicatie ‘Prix de Rome Beeldende Kunst 2025’, uitgegeven door het Mondriaan Fonds in samenwerking met Jap Sam Books. Naast het juryrapport en een inleiding van curator Nadia Abdelkaui bevat het boek gesprekken tussen de genomineerden en de auteurs Laurie Cluitmans, Amira Gad, Kelly-ann van Steveninck en Daria Tuminas.
De rijk geïllustreerde publicatie toont foto’s van Jonna Bruinsma, gemaakt in de ateliers van de kunstenaars, en van het nieuwe werk in de tentoonstelling, vastgelegd door Peter Tijhuis (ontwerp: Studio Kader, ned/eng, ISBN 978-90-76936-64-2, 208 pagina’s, €9,90).
Foto’s kunstenaars: Zelfportret Kevin Osepa in samenwerking met Eve Dijkema; Fiona Lutjenhuis. Foto: Natascha Libbert; Thierry Oussou. Foto: Studio Oussou; Buhlebezwe Siwani. Foto: J. Jockel.
