Rockmuziek fungeert sinds de opkomst ervan in de jaren vijftig als klankbord voor onvrede over de Amerikaanse politiek, oorlogen en sociale ongelijkheid. Maar ook die vrijheid van meningsuiting staat sinds The Mad King – vrij naar Peter Maxwell Davies’ ‘Eight Songs for a Mad King’ (1969) – onder druk.
Al vóór de opkomst van rock gaf Billie Holiday met ‘Strange Fruit’ (1939) stem aan de gruwel van racistische lynchpartijen in de VS, in een traditie die doorwerkt in gospelliederen als ‘We Shall Overcome’ (jaren 1950-canon) en ‘Freedom Highway’ van The Staple Singers (1965), folkprotesten van Woody Guthrie’s ‘This Land Is Your Land’ (1944) en ‘Deportee’ (1948–1949), Pete Seeger’s ‘Where Have All the Flowers Gone’ (1955) en jazz- en soulcomposities als Charles Mingus’ ‘Fables of Faubus’ (1959) en Nina Simone’s ‘Mississippi Goddam’ (1964).
Charles Mingus’ ‘Fables of Faubus’ (1959) protesteert specifiek tegen Arkansas-gouverneur Orval Faubus, die in 1957 de National Guard inzette om negen Afro-Amerikaanse scholieren de Little Rock Central High School te beletten binnen te gaan – een direct verzet tegen schoolintegratie na het Brown v. Board of Education-arrest (1954). Mingus bespot Faubus met satirische vocals (call-and-response met drummer Dannie Richmond: “Why is he so ridiculous? He won’t let us in the schools”) en hoornlijntjes die hem ridiculiseren. Columbia Records weigerde initieel de versie met tekst uit te brengen.
Nina Simone’s ‘Mississippi Goddam’ (1964) dateert van 1964: geschreven als directe reactie op de bom op de 16th Street Baptist Church in Birmingham (1963) en de moord op Medgar Evers, met furieuze teksten als “Alabama’s got me so upset / Tennessee made me lose my rest / Everybody knows about Mississippi Goddam”.
Deze pre-rock protestsongs roepen opvallende parallellen op met de actualiteit van 2026, van lynch-achtige politiegeweldzaken die ‘Strange Fruit’ actueel maken tot Faubus’ segregatieverzet dat doorklinkt in hedendaagse schoolvoucher- en DEI-ontmantelingsdebatten, en Guthrie’s ‘Deportee’ dat resoneert met strengere immigratiepolitiek.
Vanuit de traditie van zwarte protestmuziek baande Sister Rosetta Tharpe met haar elektrisch versterkte gospelrock uit de jaren veertig en vijftig nieuwe muzikaal-culturele paden. In de jaren zestig trokken hippie-acts als Country Joe and the Fish deze lijn door met hun Vietnamprotesten en braken met hun muziek nieuw terrein open voor politiek activisme. Al eerder schreef Bob Dylan geschiedenis met ‘Blowin’ in the Wind’ uit 1962 en ‘Masters of War’ uit 1963, die de toon zetten voor het folkprotest van dat decennium. Folkzangeres en activiste Joan Baez gaf vanaf het begin van de jaren zestig een stem aan burgerrechten- en anti-oorlogsbewegingen en trad op Woodstock in 1969 op als een van hun bekendste vertegenwoordigers. Gitaarvirtuoos Jimi Hendrix – zelf zwart en geworteld in diezelfde protesttraditie – maakte op datzelfde festival een krachtig statement met zijn vervormde versie van ‘The Star-Spangled Banner’, een sonisch protest tegen de Vietnamoorlog. Soulzanger Edwin Starr verwoordde met zijn Motownklassieker ‘War, What Is It Good For? (Absolutely Nothing)’ uit 1970 tenslotte de nutteloosheid van oorlog in eenvoudige, maar indringende bewoordingen. Creedence Clearwater Revival fileerde in ‘Fortunate Son’ (1969) de ongelijkheid en hypocrisie rond de dienstplicht tijdens de Vietnamoorlog, terwijl Bruce Springsteen in ‘Born in the U.S.A.’ (1984) de bittere nasmaak van dat conflict blootlegde door te zingen over teleurgestelde Vietnamveteranen en een ontgoochelde arbeidersklasse.
Pioniers als Patti Smith droegen in de jaren zeventig – en later met ‘People Have the Power’ (1988) – bij aan de basis voor punkprotest dat iconen als Green Day zou inspireren. Green Day hekelde in 2004 met ‘American Idiot’ mediaoverload, blind patriottisme en Bushpolitiek: denk aan de titeltrack, recent gecoverd door de Canadese tributeband Whitenoiz CA als ‘Hands off Canada!’ tegen handelsspanningen onder Trump 2.0, en aan ‘Holiday’, dat regeringshypocrisie en de verkoop van oorlog aan het publiek aan de kaak stelt. Bad Religion’s ‘American Jesus’ (1993) legt de vinger op religieus-nationalistische zelfrechtvaardiging, terwijl Neil Young in ‘Rockin’ in the Free World’ (1989) cynisch reflecteert op dakloosheid, armoede en holle vrijheidsretoriek. System Of A Down vroeg met ‘B.Y.O.B.’ (2005) “why do they always send the poor?” en Rage Against The Machine richtte zich in de jaren negentig met ‘Killing in the Name’ (1992) en ‘Bulls on Parade’ (1996) op politiegeweld, imperialisme en corporatocratische machtsverstrengeling.
Tijdens de eerste Trump-periode (2017-2021) nam het aantal protestnummers toe. Thema’s als immigratiebeleid, racisme, mediamanipulatie en autoritarisme stonden centraal. Zo bracht Run the Jewels in 2016 ‘2100’ uit, vlak voor Trumps verkiezing, met een dystopische kijk op onderdrukking. Green Day’s ‘Troubled Times’ (2016/2017) verwees in de lyric-video visueel rechtstreeks naar Trump en zijn campagne, met een Trump-achtige figuur met ‘Make America Great Again’-pet, historische protestscènes tegenover racistische en extreemrechtse beelden, en explosies als metafoor voor de dreiging van zijn beleid. Brujería leverde met ‘Make America Great Again’ (2016) scherpe kritiek op anti-immigratie en seksisme. In 2017 werd ‘FDT Part 2’ van YG, G-Eazy en Macklemore een openlijke aanval op Trump, en Prophets of Rage brachten datzelfde jaar met ‘Unfuck the World’ uitgesproken protestrock. Gary Clark Jr.’s ‘This Land’ (2019) snijdt racisme en uitsluiting aan, The Killers brachten in 2019 ‘Land of the Free’ als aanklacht tegen het grensbeleid en het gevangenissysteem.
Sindsdien is het landschap wel veranderd. Waar er in 2017 nog een zichtbare golf van protestmuziek volgde op Trumps eerste inauguratie, is die energie nu meer verspreid over kleinere platforms en niches. Bekende rocksterren lijken vaker op de vlakte te blijven uit vrees voor backlash of cancelcultuur. Artiesten als Bruce Springsteen verzetten zich nog duidelijk tegen Trump 2.0 en zijn beleid in interviews en optredens, maar de protestvlam brandt nu vooral sterk in de underground bij acts als David Rovics (Gaza, Trump). Protestmuziek bestaat dus nog steeds, maar is gefragmenteerder en minder gericht op de mainstream dan in de tijd van ‘American Idiot’, de ‘Vote for Change Tour’ (2004) van Bruce Springsteen of de eerste Trump-jaren.
Ay ay (ook: aye aye) (< Eng., sinds ca. 1726; NL-zeem. 19e eeuw) uitroep ter bevestiging van begrip/instemming na bevel: in orde; begrepen; oké. Vaak sardonisch; NL-uitspraak ca. “ei ei”.
![]()
Literatuur
Denisoff, R. S. (1983). ‘Sing a Song of Social Significance’. Bowling Green, OH: Bowling Green State University Popular Press. Klassiek werk over Amerikaanse protestmuziek van folk tot vroege rock als klankbord en motor van sociaal-politiek verzet.
Street, J. (2012). ‘Music and Politics’. Cambridge: Polity Press. Toegankelijke studie over de wisselwerking tussen muziek en macht, van sixties protestsongs tot hedendaagse pop- en rockpolitiek.
Fisher, M. (2009). ‘Capitalist Realism: Is There No Alternative?’. Winchester: Zero Books. Invloedrijke kritiek op hoe neoliberalisme het politieke verbeeldingsvermogen afvlakt en hedendaags protest verzwakt en fragmenteert.
![]()
PS
Dead Kennedys – ‘California über Alles’ (1979)
Uit de commentaren onder de youtube video:
“suede-denm secret police…. never thought this song would come true”
