De kluizenaar uit het Tatra gebergte (1993)

Een nieuwe opname van zijn in 1976 geschreven derde symfonie bracht

Henryk Mikolaj Górecki

alom erkenning. Symphony Of Sorrowful Songs voerde in tal van landen maandenlang de klassieke lijsten aan en bereikte in het Britse bastion zelfs de bovenste sporten van de pophitladders. Een Pools succesverhaal met pauselijk vervolg.

Tekst en beeld C. Cornell Evers OOR 7 augustus 1993

Mamo, nie placz, nie.
Niebios Przeczysta Królowo.
Ty zawsze wspieraj mnie.
Zdrowas Mario.

(Helena Wanda Blazusiakówna, cel 3, muur 3).

‘Niet huilen, moeder. Koningin des Hemels, reinste Maagd, bescherm mij altijd. Heilige Maria, vol van genade.’

Woorden die Helena Wanda Blazusiakówna in de muur kraste van haar cel in ‘Het Paleis’ in Zakapone, een voormalig vakantieoord dat gedurende de tweede wereldoorlog door de Gestapo als gevangenis werd gebruikt.

Het gebed waarmee het destijds achttienjarige meisje zich in haar beproevingen tot de Maagd Maria wendde werd door componist Henryk Górecki in 1976 verwerkt in zijn derde symfonie – Symfonia Piesni Zalosnych – , naast een oude Poolse tekst waarin Maria haar Zoon die stervende aan het kruis hangt vraagt Zijn wonden met haar te delen en de klaagzang waarmee de moeder van een gedode soldaat om haar kind treurt. Het typeert Górecki dat hij nergens misbruik heeft gemaakt van de gevoelsinhoud van de ‘beden’ (‘zalosnych’), maar juist uiterste terughoudendheid heeft betracht, een aspect dat de intensiteit van het werk ten goede is gekomen.

Symfonia Piesni Zalosnych (Sinfonie Der Klagelieder, Symphony Of Sorrowful Songs) ontroert, door de puurheid en innerlijke uitstraling van het werk, de transparantie van de muziek die zeventien jaar na haar ontstaan de grenzen van het Poolse achterland ver overschrijdt. De componist werpt de luisteraar een lijn toe waardoor deze zich verbonden weet met een soort van devote kracht maar ook met de strijd van vervolging die als een bloederige rode draad door de geschiedenis van de mensheid loopt.

De schokgolf van emotionele herkenning die de eerste toehoorders aan het eind van de jaren zeventig trof breidde zich in de loop der jaren vooral ook uit in de richting van muziekliefhebbers met belangstelling voor de avant-garde binnen de rockcultuur. De metaalpercussionisten van het Britse Test Department bijvoorbeeld gebruikten de muziek als opwarmer voor de concerten waarmee het collectief in de jaren tachtig haar solidariteit met de onderdrukten uitdroeg.

Nu, zeventien jaar na het ontstaan van Symfonia Piesni Zalosnych, heeft Górecki’s muziek ook het grote publiek beroerd, door middel van een CD met daarop een recente van de symfonie door London Sinfonietta met de prachtige sopraan en Edisonwinnares Dawn Upshaw. Het Amerikaanse Nonesuch label dat deze CD uitbrengt onderkende in een vroeg stadium de kwaliteiten van de uitvoering en zette een grote reclamecampagne op. Symphony Of Sorrowful Songs werd een succes, al beweren kwade tongen dat dit niet zozeer aan de artistieke kwaliteit van het werk is te danken als wel aan de marketing strategie van de platenmaatschappij. Er worden echter wel vaker campagnes gevoerd, het product zal in de meeste gevallen zich toch zelf moeten bewijzen.

Hoewel London Sinfonietta misschien niet voor iedereen de absolute top vormt (vooral een kwestie van het subjectieve begrip ‘smaak’) en de Poolse sopraan Stefania Woytowicz in een tien jaar eerder opgenomen uitvoering voor het label Koch Schwann meer doorleefd klinkt en in emotioneel opzicht misschien dieper gaat dan Dawn Upshaw met haar fraaie en wendbare stem, is er niets mis mee als een platenlabel een ‘ander’ publiek op een muzikale weg attent maakt waarop het misschien meer avontuur kan treffen dan het doorgaans tegenkomt.

Populariteit op een schaal zoals die vooral in de popmuziek voorkomt, lijkt voor de klassieke wereld een fenomeen te zijn waar haar vertegenwoordigers geen raad mee weten en waar ze mee omgaan als met een besmettelijke ziekte, ‘het Nigel Kennedy-Virus’, zoals een tijdje terug in het dagblad Trouw viel te lezen. Huiver en afkeer speelden dan ook de hele maand juni door de kolommen op de kunstpagina’s van bijna alle Nederlandse kranten. Henryk Mikolay Górecki, ‘de kluizenaar uit het Tatra gebergte’ – op 6 december 1933 geboren in Czernica, een dorp in het zuidwesten van Polen in het industriegebied Katowice – was een van de centrale componisten van het Holland Festival 1993. Een man die plotseling op grote schaal succesvol was en in brede kring populair, die moest wel ‘bouquet-reeks deeltjes’ maken, zo hoorde en zag men het klassieke journalistenvolkje vol minachting voor de smaak van het grote publiek niet alleen denken maar ook neerpennen. Of zoals Oswin Schneeweisz (jong en arrogant maar roomser dan de paus in zijn afkeer van de combinatie klassiek en populair) in HP/De Tijd schreef over wat hij vol haat ‘gefundenes Fressen voor iedere liefhebber van New Age muziek’ noemt: ‘Voor sommigen verschilt deze transcendentale superkitsch weinig van het geluidsbehang waarin normaliter oosterse kwakzalvers en Hollandse semi-goeroes hun therapeutische arbeid verrichten.’ Schneeweisz neemt het Górecki in het artikel in het weekblad zelfs bijna kwalijk dat de Poolse componist uit de verkoop van de Nonesuch-CD ‘alleen al aan royalty’s zo’n 150.000 gulden tegemoet kan zien’.

Het is hetzelfde cynisme dat popjournalisten er vaak toe brengt eerder de hemel ingeprezen groepen resoluut af te wijzen en zelfs als ‘fout’ te bestempelen zogauw de muziek is uitgekristalliseerd, het stadium van volwassenheid heeft bereikt en ‘gedeeld’ moet worden met ‘de massa’. Het publiek, datzelfde publiek dat de kritiek vaak zo krampachtig probeert te bereiken, wordt vijand. In dit opzicht heel typerend is de opmerking die na afloop van de enthousiast ontvangen Nederlandse première van Symfonie Der Klaagzangen in het Amsterdamse Concertgebouw was te horen, waar een recensent luidkeels verkondigde dat muziek die zoveel popliefhebbers aansprak toch onmogelijk `klassiek’ kon zijn.

Hij is ouder dan ik mij hem had voorgesteld: grijs, ietwat gezet en slecht ter been. Een aardige en beminnelijke man die soms wat archaïsch is in zijn uitlatingen, maar zeker niet de nukkige ‘popster’ die anderen in hem willen zien. Een man ook die het duidelijk wel spuugzat is om steeds opnieuw te worden doorgezaagd over de niet ter zake doende vergelijking van zijn muziek met new age, die krachteloze instrumentaaltjes die hier en daar worden gebruikt om rook  en stressverslaafden van het nagelbijten af te helpen. Evenzogoed irriteert het hem dat zijn religieuze gevoelens (Górecki is praktiserend katholiek) hem te pas maar vooral te onpas voor de voeten worden gesmeten, vreemd genoeg in een tijd waarin de spiritualiteit een terugkeer in de kunsten beleeft en God zelf notabene min of meer vaste gast is geworden in de bedanklijstjes die menig CD sieren, vooral in de popmuziek. ‘Natuurlijk, ik heb mijn geloof, maar wat heeft dat met mijn muziek te maken? Wat maakt een stuk religieus of juist niet-religieus? Ik weet het niet. Voor mij heeft kunst altijd te maken met het geheim van het leven en hoe men dat moet noemen zou ik niet weten. Ik maak in mijn muziek geen onderscheid tussen geheiligd en werelds. Als ik een lied schrijf over een boom, dan is dat ook een wonder. Iedere boom is een wonder.’

Górecki dirigeerde in 1979 in Kraków tijdens een van zijn zeldzame optredens de eerste uitvoering van Beatus Vir, bij het emotionele, eerste bezoek van Johannes Paulus II aan het moederland Polen. In deze meer dan dertig minuten durende compositie voor bariton en koor waarmee de in 1079 vermoorde Stanislaw, bisschop van Kraków wordt herdacht, creëert de componist een bijzondere sfeer van religieuze bezinning door gebruik te maken van eenvoudige harmonieën uit de kerkliteratuur. Deze brengen samen met de krachtige, tonale verschuivingen die Beatus Vir kenmerken een zo diepe gemoedstoestand teweeg dat de luisteraar bijna letterlijk de adem wordt afgesneden.

Górecki kreeg de opdracht voor Beatus Vir (in de Britse lijsten in een opname voor het Argo label inmiddels tweede, achter Symphony Of Sorrowful Songs) van Karol Wojtyla zelf, toen deze nog kardinaal was. Górecki: ‘Enkele maanden later werd hij tot paus gekozen. Hij werd de eerste paus die naar Polen kwam, de eerste paus die als Pool naar Polen kwam, naar Kraków. Ik vond het een fantastische dag, misschien wel de mooiste in mijn leven. Stel je de politieke situatie destijds in Polen voor. Wat was Polen nou helemaal? Er zijn in mijn leven veel tragische dingen gebeurd. Ik heb de beste vriend van de mens – de dood – al heel vaak gezien. Ik was nauwelijks twee toen mijn moeder is gestorven, zesentwintig jaar oud. Daarna kwam de oorlog, Duitsers, Russen, enzovoort. Ondanks alle ellende heb ik echter – en dat heeft me steeds weer moed gegeven – altijd heel veel fantastische mensen getroffen.’

Górecki is er heilig van overtuigd dat er in ieder individu, hoe slecht ook, altijd wel iets goeds is te vinden (‘Ik kan toch niet steeds in iedere mens een bandiet zien.’). Hij klampt zich in zekere zin vast aan de hoop die daarvan het gevolg is (‘Als er geen hoop meer is kan ik me net zo goed een kogel door het hoofd jagen’.) In dit licht moet ook zijn derde symfonie worden gezien. ‘Dat werk heeft niets te maken met de oorlog, met Auschwitz. Het zijn klaagzangen, geschreven voor de gewoonsten der mensen. Wij zijn allemaal uit dezelfde aarde geboren. Wij komen uiteindelijk allemaal in dezelfde hel. Wij zijn allemaal gelijk. Als we voor God verantwoording af moeten leggen, staan we daar: naakt, zonder juwelen, zonder geld, zonder roem. Dan is de vraag niet hoeveel je hebt verdiend maar wat je er als mens van hebt gemaakt. Het belangrijkste voor mij is het contact met de andere mens, of dat nu een musicus is of een dirigent of een toehoorder in de zaal. Mensen. Dat kunnen er duizend zijn, honderd, misschien slechts tien. Zelfs met een persoon ben ik al gelukkig, als er een iemand is die ik iets kan zeggen, die begrijpt, die begrijpen wil.’

De muziek van Górecki vindt haar oorsprong voor een belangrijk deel in de fascinatie van de componist voor de Poolse volkscultuur, de natuur, zijn verlangen naar de waarachtige dingen die het leven waarde geven. Maar ook de grote klassieken dienen hem als voorbeeld. ‘Ik leer nog altijd van Mozart, Beethoven en Bach. Ik kijk steeds weer hoe zij het deden, naar Shostakovich, Ives, Messiaen, Mahler enzovoort. Dat is voor mij erg belangrijk. Dat is de basis. Dat is de grond waar ik ben opgegroeid.’

Het heden kan niet bestaan zonder het verleden, noch kan Górecki. ‘Ook Mozart kon niet bestaan zonder het verleden, Beethoven, Schubert. Hoe kan vandaag het begin zijn? Wie dat gelooft is een erg arm mens.’